Appellant werd in tijdelijke dienst aangesteld bij de politie met een proeftijd van één jaar. De korpschef besloot tot eervol ontslag op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp, vanwege onvoldoende geschiktheid en bekwaamheid, met name op het gebied van samenwerking en communicatie.
Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag, maar de korpschef handhaafde het besluit na verwijzing naar verklaringen van collega’s en leidinggevenden die zijn gedrag als dominant, aanvallend en onprofessioneel omschreven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag terecht was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het ontslag onvoldoende gemotiveerd was, hij niet voldoende was aangesproken op zijn functioneren en dat hij mocht vertrouwen op een vaste aanstelling. De Raad stelde vast dat de toetsing terughoudend is en dat de korpschef in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde het ontslagbesluit.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 juli 2022.