In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het geschil de vraag of appellanten terecht door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding, wat gevolgen had voor de toekenning van een ongehuwdenpensioen dan wel gehuwdenpensioen en de partnertoeslag op het AOW-pensioen.
De Svb had op grond van verklaringen en een samenlevingscontract geconcludeerd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en had daarop het ongehuwdenpensioen herzien naar een gehuwdenpensioen en de partnertoeslag beëindigd. Appellanten voerden aan dat zij ieder hun hoofdverblijf hadden op een eigen adres en dat het samenwonen feitelijk nooit had plaatsgevonden.
De Raad oordeelde dat de Svb ten onrechte de hoorplicht had geschonden door appellanten niet te horen over nieuwe onderzoeksbevindingen en dat het nader onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag bood om te concluderen dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden. De besluiten van de Svb werden vernietigd en de Raad bepaalde dat appellanten met ingang van 18 december 2015 een ongehuwdenpensioen wordt toegekend.
Daarnaast werd de herziening en terugvordering van de partnertoeslag vernietigd omdat de grondslag daarvoor was komen te vervallen. De Svb werd opgedragen om opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. De Raad veroordeelde de Svb tevens in de proceskosten van appellanten.