Appellanten ontvingen respectievelijk een ongehuwdenpensioen en een nabestaandenuitkering. Na melding van samenwoning en het overleggen van een notariële samenlevingsovereenkomst wijzigde de Sociale verzekeringsbank (Svb) het ouderdomspensioen van appellante naar een gehuwdenpensioen en beëindigde de nabestaandenuitkering van appellant.
Appellanten stonden echter ingeschreven op verschillende adressen in de Basisregistratie Personen (BRP) en gaven aan niet daadwerkelijk samen te wonen. De Svb baseerde haar besluiten op verklaringen van appellanten uit 2012 en eerdere contactmomenten, zonder nader onderzoek naar het daadwerkelijke hoofdverblijf in de periode vanaf december 2015.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat de Svb onvoldoende gemotiveerd heeft dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat zij hun hoofdverblijf deelden. De Svb had nader onderzoek moeten doen naar de feitelijke woonsituatie. De Raad vernietigt de bestreden besluiten en draagt de Svb op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad bepaalt dat tegen de nieuwe besluiten alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld en veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten.