ECLI:NL:CRVB:2022:186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als accountmanager en beveiliger in opleiding en meldde zich in 2010 ziek vanwege lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38,83%, later verhoogd naar 44,44%. Na bezwaar en heronderzoek stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid uiteindelijk vast op minder dan 35% en beëindigde de WIA-uitkering per 19 juni 2019.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten, onder meer ondersteund door een verklaring van psychiater Kurt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij verzekeringsartsen appellant hadden onderzocht en relevante medische informatie uit de behandelende sector was betrokken.
De Raad vond geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen, omdat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en de medische beoordeling van het UWV overtuigend was gemotiveerd. De beperkingen van appellant waren juist vastgesteld en de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren passend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.