Uitspraak
21 1949 WW
PROCESVERLOOP
H. ten Brinke.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2010 werkzaam bij een werkgever die vanaf september 2017 niet meer volledig loon betaalde en uiteindelijk failliet werd verklaard in september 2018. Appellant verzocht het UWV om een faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht van de werkgever vanaf juni 2018, maar dit werd afgewezen omdat het UWV oordeelde dat er geen blijvende betalingsonmacht was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er sprake was van betalingsonwil ingegeven door een arbeidsconflict en dat de werkgever nog actief was met het binnenhalen van opdrachten. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de bedrijfsactiviteiten al eerder waren gestaakt, de B.V. leeg was en dat de facturen die het UWV als bewijs gebruikte onjuist waren.
De Raad oordeelt dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever al op 11 juni 2018 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde, gezien het ontbreken van bedrijfsruimte, bedrijfsmiddelen, personeel en klanten. Het UWV had het besluit onvoldoende gemotiveerd en moest een nieuwe beslissing nemen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op binnen zes weken opnieuw te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en moet het het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen over de betalingsonmacht vanaf 11 juni 2018.