Appellante meldde zich in 2013 ziek wegens fysieke klachten en kreeg vanaf 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na beëindiging van deze uitkering kreeg zij een Ziektewetuitkering (ZW) toegekend vanaf mei 2019. Het UWV stelde in maart 2020 dat appellante weer arbeidsgeschikt was, waarna zij bezwaar maakte. Na herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en werd haar ZW-uitkering beëindigd per november 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsarts voldoende informatie had betrokken en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellante stelde in hoger beroep dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de functies niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er waren geen nieuwe medische stukken die het standpunt van appellante ondersteunden. De verzekeringsartsen hadden op basis van eigen onderzoek en beschikbare informatie een goed beeld van haar beperkingen. Het UWV had de functies passend gemotiveerd. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.