Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1980

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 september 2022
Publicatiedatum
19 september 2022
Zaaknummer
20/3230 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 14 DagloonbesluitArt. 15 Dagloonbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon zonder overwerkbetaling in referteperiode

Appellante was werkzaam als [functie 1] en [functie 2] bij haar ex-werkgever en heeft in 2016 en 2017 in totaal 400 overuren gemaakt, waarvoor zij in oktober 2019 een betaling ontving. Zij meldde zich ziek in november 2017 en kreeg per 7 november 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het UWV berekende het dagloon over de periode 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017 en sloot de betaling van overwerk in oktober 2019 uit omdat deze buiten de referteperiode viel.

Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat de betaling wel vorderbaar was in de referteperiode en daarom volgens artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit moest worden meegenomen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het loon in de referteperiode vorderbaar was.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat de betaling van de overuren tijdens de referteperiode vorderbaar was, noch dat zij haar werkgever tijdig en ondubbelzinnig had gemaand tot betaling. De mogelijkheid van compensatie in vrije dagen of uitbetaling was niet concreet overeengekomen. Hierdoor voldeed appellante niet aan de vereisten van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit.

De Raad concludeerde dat het UWV de dagloonberekening correct had uitgevoerd door de betaling van oktober 2019 buiten beschouwing te laten en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De betaling van overwerkuren in oktober 2019 wordt terecht niet meegenomen in de dagloonberekening omdat deze niet vorderbaar was in de referteperiode.

Uitspraak

20 3230 WIA

Datum uitspraak: 15 september 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
27 augustus 2020, 20/1611 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 2] heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam 2] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als [functie 1] bij Stichting [naam stichting] (ex-werkgever) voor 29,49 uur per week. Per 5 november 2015 was appellante tevens aangesteld als [functie 2]. In verband met haar taken als [functie 2] heeft appellante in 2016 en 2017 in totaal 400 extra uren gewerkt. Ter compensatie van deze uren is in oktober 2019 een bedrag van € 15.405,90 als overwerk aan appellante uitbetaald.
1.2.
Appellante heeft zich per 9 november 2017 ziek gemeld. Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft het Uwv appellante met ingang van 7 november 2019 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend, omdat zij met ingang van die datum volledig arbeidsongeschikt is. Bij de berekening van het WIA-dagloon is het Uwv uitgegaan van een referteperiode die loopt van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017. Het dagloon is vastgesteld op € 201,99.
1.3.
Appellante heeft tegen het besluit van 10 oktober 2019 bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2019 het besluit van 10 oktober 2019 gewijzigd voor zover betrekking hebbend op de hoogte van de geschatte inkomsten van appellante. Voor het overige is het besluit van 10 oktober 2019 gehandhaafd.
1.4.
Bij besluit van 21 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 10 oktober 2019 en 24 oktober 2019 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is het dagloon juist vastgesteld en zijn de in oktober 2019 uitbetaalde overuren over 2016 en 2017 terecht niet meegenomen in de dagloonberekening.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om de betaling in de maand oktober 2019, met betrekking tot de door haar gemaakte overwerkuren als [functie 2], aan de referteperiode toe te rekenen. Appellante heeft niet aangetoond dat het loon dat betrekking had op de in oktober 2019 uitbetaalde overuren vorderbaar was in de referteperiode.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat het Uwv het WIA-dagloon te laag heeft vastgesteld gehandhaafd en herhaald dat het Uwv de betaling voor overuren in de maand oktober 2019 ten onrechte niet in de dagloonberekening heeft meegenomen. Dat loon was volgens appellante in de referteperiode vorderbaar, maar niet tevens inbaar en dient daarom met toepassing van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) bij de berekening van het WIA-dagloon te worden meegenomen. In 2016 en 2017 stond vast dat appellante 200 overuren per jaar zou maken en uit e-mailberichten van 13 oktober 2016 en 23 november 2016 is af te leiden dat ook de uitbetaling van deze uren vaststond. Appellante heeft haar ex-werkgever reeds in 2016 en 2017 verzocht om tot uitbetaling over te gaan. Door organisatorische problemen bij de ex-werkgever en het feit dat appellante in 2017 ziek is geworden, heeft de uitbetaling lang op zich laten wachten.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
4.1.2.
Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Deze regels zijn vastgesteld bij het Dagloonbesluit.
4.1.3.
Op grond van artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen.
4.1.4.
In artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
4.1.5.
Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder loon als bedoeld in artikel 14 mede Pro begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van hoofdstuk 3 van het Dagloonbesluit, dat de artikelen 13 tot en met 21 omvat, wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden.
4.2.
In geschil is of de betaling in oktober 2019 met betrekking tot de door appellante gemaakte overwerkuren als [functie 2] op grond van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit door het Uwv had moeten worden meegenomen bij de berekening van dagloon. Tussen partijen is niet in geschil dat deze betaling heeft plaatsgevonden na afloop van de referteperiode. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze betaling in de referteperiode vorderbaar en niet tevens inbaar was, zodat artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit dient te worden toegepast.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien de uitbetaling in oktober 2019 van de overuren van 2016 en 2017 aan de referteperiode toe te rekenen wordt onderschreven.
4.3.1.
In het geval van appellante is niet gebleken dat het loon reeds vorderbaar was tijdens de referteperiode. Dat appellante overuren heeft gemaakt in de referteperiode is niet in geschil, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat overeengekomen was dat zij voor het maken van deze overuren in de referteperiode een betaling zou ontvangen. In de brief van de exwerkgever van 10 juli 2019 is het volgende vermeld: “
Echter omdat het onbekend terrein was en omdat men niet kon inschatten of de afgesproken uren toereikend waren is met [appellante] de afspraak gemaakt dat ze haar uren bijhoudt en dat er na twee jaar zou worden geëvalueerd. Op dat moment kon worden gekeken hoeveel uur daadwerkelijk nodig is en hoe men met de gemaakte uren zou omgaan.”. Het standpunt van appellante dat deze passage uit de brief niet juist is, is niet onderbouwd. Ook is onduidelijk op welke wijze de overuren gecompenseerd zouden gaan worden. Uit het e-mailbericht van de ex-werkgever van 23 november 2016 blijkt dat de mogelijkheid bestond dat de overuren werden uitbetaald of werden ingeruild voor vrije dagen. Appellante heeft geen andere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat uitbetaling van gemaakte overuren tijdens de referteperiode vorderbaar was. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft aangetoond dat het loon in verband met de overwerkuren in de referteperiode vorderbaar was.
4.3.2.
Voorts is niet gebleken dat het loon tevens niet inbaar was tijdens de referteperiode. Appellante heeft niet aangetoond dat zij haar ex-werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het loon in verband met de gewerkte overuren aan haar te betalen. Appellante heeft erkend dat zij haar ex-werkgever niet schriftelijk heeft gemaand tot betaling van het loon. Zij heeft gesteld dat zij haar ex-werkgever wel mondeling heeft gemaand tot betaling van het loon. Deze stelling is echter niet met concrete gegevens onderbouwd. Weliswaar blijkt uit het emailbericht van 23 november 2016 dat appellante is uitgenodigd om bij haar leidinggevende langs te komen om te bespreken hoe de overuren volgens haar gecompenseerd zouden moeten gaan worden, maar wat vervolgens precies heeft plaatsgevonden is niet duidelijk geworden. Uit de brief van de ex-werkgever van 24 juli 2020 blijkt dat eerst op 19 september 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden met appellante over de afhandeling en verwerking van de gemaakte overuren.
4.3.3.
De conclusie is dat appellante niet voldoet aan de vereisten van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit. Het Uwv heeft daarom terecht de uitbetaling van de overuren in oktober 2019 niet bij de berekening van het WIA-dagloon meegenomen.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2022.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) M.C.G. van Dijk