Betrokkene liep van april tot juli 2017 stage en trad in september 2017 in dienst bij een werkgever. In november 2017 viel hij door ziekte uit en ontving gedeeltelijk doorbetaald loon. Na beëindiging van het dienstverband ontving hij een Ziektewetuitkering en later een WW-uitkering, berekend op een lager dagloon dan zijn ZW-dagloon.
De rechtbank oordeelde dat artikel 2, achtste lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moest worden gelaten omdat toepassing hiervan tot een lager dagloon leidde dan het loon voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid. Volgens de rechtbank was dit onevenredig nadelig voor betrokkene.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld op grond van de wettelijke bepalingen, waarbij de referteperiode bewust is verlegd naar vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De lagere WW-uitkering is het gevolg van de stagevergoeding in de referteperiode en niet van ziekte. Het oordeel van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard.
De Raad benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling om het welvaartsniveau voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid te waarborgen, ook al kan dit in individuele gevallen tot lagere uitkeringen leiden. Eventuele ongewenste effecten dienen via wetgeving te worden aangepakt.