ECLI:NL:CRVB:2022:2032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening WW-dagloon zonder 30%-regeling voor kennismigranten
Appellant werkte vanaf september 2013 bij twee BV's en maakte sinds 2017 gebruik van de 30%-regeling voor kennismigranten, waardoor 30% van zijn brutoloon netto werd uitbetaald zonder inhouding van loonbelasting. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 januari 2020 kende het UWV hem een WW-uitkering toe met een dagloon van €170,46, berekend zonder het bedrag van de 30%-regeling.
Appellant maakte bezwaar tegen deze berekening, stellende dat het niet meenemen van de 30%-regeling tot een oneerlijke situatie leidde en in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV correct handelde door het bedrag van de 30%-regeling niet als loon mee te rekenen bij de dagloonvaststelling. Dit bedrag is een eindheffingsbestanddeel volgens artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB en valt daardoor niet onder het loonbegrip van de Wfsv. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden omdat andere gevallen zonder 30%-regeling niet vergelijkbaar zijn. Ook is er geen sprake van een oneerlijke situatie, aangezien appellant netto voordeel heeft van de regeling.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van het dagloon zonder het bedrag van de 30%-regeling bevestigd.