ECLI:NL:CRVB:2022:2037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling WIA-dagloon zonder betaling maart 2015
Appellant was kraanmachinist en meldde zich ziek per 7 maart 2017. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe op basis van een dagloon berekend over de periode 1 maart 2014 tot en met 28 februari 2015. Appellant stelde dat ook overwerkbetalingen van maart 2015 meegenomen moesten worden omdat deze binnen de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de betaling van maart 2015 buiten de dagloonberekening hield, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de werkgever op ondubbelzinnige wijze had gemaand tot betaling binnen de referteperiode. Mondelinge verzoeken volstonden niet.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat de uitzonderingsbepaling in artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit restrictief moet worden uitgelegd en dat het UWV gebonden is aan wet- en regelgeving. Er was geen bewijs dat het loon niet inbaar was in de referteperiode, waardoor de betaling in maart 2015 terecht niet werd meegenomen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De betaling van overwerk in maart 2015 wordt terecht niet meegenomen in de dagloonberekening; het hoger beroep wordt afgewezen.