ECLI:NL:CRVB:2022:2167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde WIA-beoordeling; herstel door UWV opgedragen
Appellant is sinds 1979 werkzaam en viel in 2016 uit met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde in 2019 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 76,87% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Zowel appellant als zijn werkgever maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant en werkgever ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig werden beoordeeld.
In hoger beroep voert appellant aan dat de FML onvoldoende rekening houdt met zijn psychische klachten (PTSS) en knieklachten, en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. Ook stelt appellant dat onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts over de beperkingen. Het UWV verzoekt bevestiging van de eerdere uitspraak.
De Raad oordeelt dat het deskundigenoordeel in een ander kader is opgesteld dan de WIA-beoordeling en dat de medische beoordeling van de psychische beperkingen juist en navolgbaar is. Wel is de toelichting bij de knieklachten (item 4.22 FML) onduidelijk en heeft de arbeidsdeskundige onvoldoende overleg gevoerd met de verzekeringsarts over de beperkingen bij de functies. Hierdoor is het besluit medisch en arbeidskundig onvoldoende gemotiveerd en strijdig met artikel 7:12 Awb Pro.
De Raad draagt het UWV op om binnen acht weken het gebrek in het besluit te herstellen door een nieuwe, toereikende motivatie of een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarmee het geschil definitief kan worden beslecht.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de arbeidsongeschiktheid binnen acht weken medisch en arbeidskundig voldoende te motiveren.