Uitspraak
21 2335 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
1 punt voor de zitting en ½ punt voor de zienswijze na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 837,-), in totaal € 4.960,50.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit van appellant per 16 mei 2019. De Raad stelde in een tussenuitspraak dat het medisch en arbeidskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was uitgevoerd en onvoldoende was gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit niet deugdelijk was.
Na de tussenuitspraak heeft het UWV aanvullend onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, die nieuwe rapporten hebben opgesteld. Deze rapporten corrigeren eerdere tekortkomingen, onder meer door het beter motiveren van beperkingen en het passend verklaren van functies binnen de mogelijkheden van appellant. Appellant voerde bezwaren aan tegen de geschiktheid van bepaalde functies vanwege astma en handelingstempo, maar deze bezwaren zijn gemotiveerd weerlegd door het UWV.
De Raad oordeelt dat het aanvullend onderzoek en de rapportages nu voldoen aan de vereiste zorgvuldigheid en motivering. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 76,52% en de resterende verdiencapaciteit op € 1.052,96 per maand, wat leidt tot een wijziging van het besluit. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het bestreden besluit voor zover deze de arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit betreffen, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 76,52% en de resterende verdiencapaciteit op € 1.052,96 per maand, het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.