ECLI:NL:CRVB:2022:2191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning AOW ouderdomspensioen met beperkte terugwerkende kracht
Appellant, geboren in 1952, heeft op 20 maart 2020 een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen bij het bevoegde orgaan in het Verenigd Koninkrijk. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe met ingang van 1 maart 2019, omdat een pensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraagdatum. Appellant stelde dat vanwege medische redenen een eerdere ingangsdatum op zijn pensioengerechtigde leeftijd moest gelden en dat hij in de geschilperioden wel verzekerd was in Nederland.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. De medische verklaring toonde geen onvermogen aan om tijdig een aanvraag te doen in de jaren voorafgaand aan 2020. Daarnaast heeft appellant onvoldoende bewijs geleverd dat hij in de perioden 1995-1997 en 2003-2006 in Nederland heeft gewerkt. Op grond van Verordening 1408/71 en het door het Verenigd Koninkrijk verstrekte formulier E205 was hij in die periodes verzekerd onder de Britse socialezekerheidswetgeving.
De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 oktober 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het AOW-pensioen ingaat op 1 maart 2019 met een uitkeringspercentage van 12%, zonder erkenning van eerdere verzekeringsperiodes in Nederland.