ECLI:NL:CRVB:2022:2221

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2022
Publicatiedatum
14 oktober 2022
Zaaknummer
21/3762 NOW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen NOW-subsidiebesluiten wegens ontbreken procesbelang

Appellanten hebben aanvragen ingediend voor NOW-3-subsidie voor de maanden oktober tot en met december 2020, met een verwacht omzetverlies van 50%. De minister heeft de gevraagde tegemoetkomingen toegekend en voorschotten vastgesteld. Appellanten maakten bezwaar tegen de vaststelling, omdat zij meenden dat de referentiemaand juni 2020 niet representatief was vanwege de indiensttreding van extra personeel in december 2020.

De minister verklaarde de bezwaren ongegrond en de rechtbank Noord-Holland verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, aangezien appellanten reeds het maximale financiële resultaat hadden bereikt. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij procesbelang hadden om te voorkomen dat de subsidieverlening onherroepelijk zou worden, waardoor bepaalde onderdelen niet meer aangevochten konden worden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hebben van een louter formeel of principieel belang onvoldoende is voor procesbelang. Aangezien appellanten de gevraagde subsidie reeds ontvingen en geen gunstiger resultaat kunnen behalen, is er geen procesbelang. Ook is er geen rechtstreeks gevolg van de bestreden besluiten dat nadeel veroorzaakt in een andere rechtsverhouding. De beroepen zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de beroepen af zonder veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De beroepen tegen de bestreden NOW-subsidiebesluiten worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

21.3762 NOW, 21/3763 NOW, 21/3764 NOW, 21/3765 NOW, 21/3766 NOW-PV

Datum uitspraak: 6 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 september 2021, 21/842, 21/843, 21/844, 21/845 en 21/846 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de besloten vennootschap [naam B.V. 1] te [vestigingsplaats 1]
de besloten vennootschap [naam B.V. 2] te [vestigingsplaats 2]
de besloten vennootschap [naam B.V. 3] te [vestigingsplaats 3]
de besloten vennootschap [naam B.V. 4] te [vestigingsplaats 4]
de besloten vennootschap [naam B.V. 5] te [vestigingsplaats 5]
(appellanten)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
Zitting hebben: H.G. Rottier, M. Schoneveld, S. Wijna
Griffier: R. van der Heide
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2022. Namens appellanten zijn verschenen [gemachtigde] , drs. M. Koch en mr. J.P.C. Obbink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Dongen, medewerker van het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellanten hebben aanvragen ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3), voor de maanden oktober, november en december 2020. In de aanvragen is een verwacht omzetverlies van 50% opgegeven.
2. De minister heeft bij besluiten van 24 november 2020 de gevraagde tegemoetkomingen toegekend en te betalen voorschotten vastgesteld. Appellanten hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens appellanten is de maand juni 2020 als referentiemaand in hun geval niet representatief voor de loonsom, omdat in december 2020 375 extra personeelsleden in dienst zijn gekomen. De minister heeft bij besluiten van 6 januari 2021 (de bestreden besluiten) de bezwaren ongegrond verklaard. Volgens de minister bestaat er geen mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen in de NOW-regeling.
3. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellanten geen procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroep. De gevraagde subsidiebedragen zijn immers toegekend overeenkomstig de daartoe gedane aanvragen.
4. Appellanten zijn het hier niet mee eens en hebben in hoger beroep aangevoerd dat hun procesbelang is gelegen in het voorkomen van het onherroepelijk worden van de subsidieverlening, waardoor bepaalde onderdelen daarvan niet meer kunnen worden aangevochten.
5. Niet betwist is dat de aangevraagde subsidie is ontvangen. Appellanten wensen ook niet meer of minder te ontvangen.
6. Voor het aannemen van procesbelang is vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaarschrift, beroepschrift of hogerberoepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren daarvan voor de betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1156.). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:464). Ook kan procesbelang worden aangenomen indien het bestreden besluit rechtstreeks gevolg heeft waarvan in een andere, al dan niet bestuursrechtelijke, rechtsverhouding nadeel zal worden ondervonden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het intreden van dat gevolg beslissend is (zie de uitspraak van de Raad van 9 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:53).
7. Appellanten hebben de door hen gevraagde NOW-subsidie toegekend gekregen en hierop voorschotten ontvangen. Appellanten hebben daarmee het maximale financiële resultaat bereikt dat zij wilden bereiken. Een gunstiger resultaat kan in deze procedure niet worden behaald. Verder kan op de vaststelling van de subsidie in deze procedure niet worden vooruitgelopen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellanten de argumenten die zij in de onderhavige procedure naar voren hebben gebracht opnieuw en in volle omvang naar voren kunnen brengen in een procedure tegen de besluiten tot vaststelling van de subsidies. De bestreden besluiten hebben dus ook geen rechtstreeks gevolg waarvan in de procedure tot vaststelling van de subsidies nadeel zal worden ondervonden. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
8. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de meervoudige kamer
De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) H.G. Rottier