ECLI:NL:CRVB:2022:229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onterecht betaalde WIA-compensatie ondanks zesmaandenjurisprudentie
Appellante was werkzaam bij de Nationale Politie en kreeg wegens blijvende arbeidsongeschiktheid een WIA-compensatie toegekend. Later stelde het UWV vast dat zij recht had op een WIA-uitkering, waardoor de compensatie onterecht bleek.
De korpschef vorderde de onterecht betaalde compensatie terug, maar beperkte de terugvordering tot twee jaar voorafgaand aan het besluit, conform de zesmaandenjurisprudentie die terugvordering na zes maanden na een signaal beperkt.
Appellante stelde dat de zesmaandenjurisprudentie ook voor de gehele periode vanaf 4 juni 2017 gold, omdat de korpschef al op 28 november 2016 op de hoogte was van het gewijzigde UWV-besluit. De Raad oordeelde echter dat het signaal pas kwam met de e-mail van appellante op 20 juli 2017, waarna de korpschef binnen zes maanden actie heeft ondernomen door de compensatie per 1 januari 2018 te beëindigen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en verwierp het beroep van appellante. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de zesmaandenjurisprudentie bij terugvordering van onverschuldigde uitkeringen in situaties waarin de wijziging met terugwerkende kracht plaatsvindt en het bestuursorgaan pas later een signaal ontvangt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering van onterecht betaalde WIA-compensatie rechtmatig is en wijst het hoger beroep af.