Appellant, werkzaam bij de politie sinds 1986, kreeg in 2014 toestemming om nevenwerkzaamheden als tolk en vertaler binnen de politie uit te voeren. Na invoering van een nationaal beleid in 2015 verbood de korpschef dergelijke werkzaamheden binnen de politieorganisatie om belangenverstrengeling en imagoschade te voorkomen.
In 2020 besloot de korpschef de toestemming te herroepen met een afbouwperiode van zes maanden, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de korpschef bevoegd was tot herziening van de toestemming, dat het beleid niet in strijd is met de Ambtenarenwet 2017 en dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel faalde.
De Raad vond dat de belangen van de politieorganisatie zwaarder wegen dan het financiële belang van appellant, mede gezien de overgangsperiode en het normale ondernemersrisico. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.