ECLI:NL:CRVB:2022:2376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste uitvoering nieuw besluit terugvordering bijstand na schending inlichtingenplicht
De zaak betreft een beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede waarin een nieuwe terugvordering van bijstandskosten is vastgesteld na eerdere vernietigingen door de rechtbank en de Raad. De oorspronkelijke intrekking van bijstand en terugvordering waren gebaseerd op de schending van de inlichtingenplicht door appellant, met name het niet melden van het beschikken over de bankrekening van zijn vader en andere activiteiten.
De rechtbank had de intrekking en terugvordering over een deel van de periode vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag, waarna de Raad de uitspraak deels vernietigde en het college opdroeg een nieuw besluit te nemen. Het bestreden besluit betrof de terugvordering over de periode van 1 maart 2016 tot en met 20 oktober 2016.
Appellant voerde aan dat de Raad niet had overwogen dat de intrekking over deze periode gehandhaafd bleef en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn activiteiten. De Raad oordeelde echter dat de omvang van het geding beperkt was tot de vraag of het college de eerdere uitspraak correct had uitgevoerd en dat het college dat had gedaan door een nieuwe berekening te maken van het terug te vorderen bedrag.
De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond was omdat appellant geen gronden had aangevoerd tegen de vastgestelde hoogte van de terugvordering en dat het college de uitspraak van 8 december 2020 correct had uitgevoerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 23 februari 2021 wordt ongegrond verklaard.