ECLI:NL:CRVB:2022:2413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens hennepkwekerij ondanks kortere strafperiode
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, die het dagelijks bestuur op 12 maart 2015 introk en terugvorderde over de periode van 13 juli 2014 tot en met 18 december 2014 vanwege het aantreffen van een hennepkwekerij in zijn caravan. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit, maar verzocht in 2019 om herziening op basis van zijn strafdossier waaruit bleek dat hij geen inkomsten uit drugshandel had verworven en het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering had ingesteld.
Het dagelijks bestuur wees dit verzoek af omdat het beschikbaar stellen van de caravan en het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten niet waren gemeld, ongeacht het ontbreken van inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant het strafdossier niet had overgelegd. In hoger beroep overhandigde appellant het strafdossier alsnog.
De Raad oordeelde dat het strafvonnis geen vrijspraak bevatte en dat het verschil in periode tussen de strafrechtelijke veroordeling en de intrekking van bijstand geen reden is om het besluit te beperken. Ook het ontbreken van een ontnemingsvordering betekent niet dat appellant geen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het beschikbaar stellen van een caravan voor hennepkwekerij.