ECLI:NL:CRVB:2022:2424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loondoorbetalingsverplichting bij gewijzigde arbeidstijd in WIA-uitkering
Werknemer viel op 2 maart 2015 uit wegens ziekte en hervatte zijn werkzaamheden gedeeltelijk met een arbeidsomvang van vier dagen per week (circa 32 uur). In januari 2017 besloot het UWV dat werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees een WIA-uitkering af. In september 2018 werd een toename van arbeidsongeschiktheid vastgesteld, waarna werknemer een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend kreeg met een inkomenskorting vanwege het inkomen uit arbeid.
Appellante (werkgever) maakte bezwaar tegen de inkomenskorting en stelde dat geen nieuwe loondoorbetalingsplicht was ontstaan omdat de bedongen arbeid niet was gewijzigd. De rechtbank oordeelde echter dat er sprake was van nieuw bedongen arbeid door de gezamenlijke en bestendige urenvermindering, gesteund door re-integratierapporten en het feit dat werknemer en werkgever zich naar de gewijzigde situatie hadden gedragen.
In hoger beroep betwistte appellante dit, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie dat bij re-integratie bepalend is of de werkzaamheden als nieuw bedongen arbeid kunnen worden aangemerkt. De urenvermindering was een weloverwogen gezamenlijke keuze en de situatie was gedurende een langere periode onbetwist gebleven. De Raad bevestigde daarom de loondoorbetalingsplicht en de toepassing van de inkomenskorting op de WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werkgever per 3 september 2018 een nieuwe loondoorbetalingsplicht had, waardoor UWV terecht een inkomenskorting op de WIA-uitkering toepaste.