Appellant ontvangt sinds 2012 een AOW-pensioen met partnertoeslag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag de toeslag en vorderde bedragen terug omdat de echtgenote van appellant inkomsten had uit meewerken in zijn onderneming in België. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de Svb terecht uitging van inkomsten van de partner.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn echtgenote in 2017 geen inkomen had uit werk en dat de Belgische gegevens onjuist waren. De Raad stelde vast dat de echtgenote volgens Belgische sociale zekerheidsgegevens en fiscale attestaties als meewerkend echtgenote was aangemerkt en minimaal 90 dagen per jaar effectief meewerkte.
De Raad concludeerde dat de winstverdeling in de belastingaangifte waarbij de winst volledig aan appellant werd toegerekend, niet betekent dat de echtgenote niet meewerkte. Het gebruik van het huwelijksquotiënt verandert hier niets aan. De Svb heeft de partnertoeslag terecht herzien en het teruggevorderde bedrag van € 1.791,42 is correct.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.