ECLI:NL:CRVB:2022:2596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende inzicht in inkomsten en werkzaamheden
Appellanten hebben een aanvraag om bijstand ingediend die door het college is afgewezen wegens onvoldoende naleving van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelden appellanten dat zij wel voldoende inzicht hadden gegeven in de gewerkte uren en ontvangen bedragen, maar de Raad concludeerde dat er onvoldoende duidelijkheid bestond over de omvang van de werkzaamheden van appellant bij het bedrijf van zijn zoon en over het inkomen waarover zij redelijkerwijs konden beschikken.
De Raad benadrukte dat bij een aanvraag om bijstand de financiële situatie van de aanvrager essentieel is en dat volledige openheid van zaken moet worden gegeven. De Raad stelde vast dat de door appellanten overgelegde urenstaten en salarisstroken inconsistenties vertoonden, zoals het opnemen van niet-werkgerelateerde activiteiten als gewerkte uren. Ook werd vastgesteld dat oproepdiensten als op geld waardeerbare activiteiten worden beschouwd, ongeacht of deze worden uitbetaald.
Gezien het gebrek aan inzicht in het aantal uren en dagen dat appellant werkte, kon niet worden vastgesteld of appellanten recht hadden op bijstand. De Raad vond daarom dat het college de aanvraag terecht had afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag om bijstand wegens onvoldoende inzicht in werkzaamheden en inkomen.