ECLI:NL:CRVB:2022:2645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als verzorgende IG en meldde zich meerdere malen ziek vanaf 2015. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid, maar weigerde een IVA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen voldoende hadden gemotiveerd dat er geen sprake was van een stabiel of progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Appellante voerde aan dat haar arbeidsongeschiktheid sinds 2015 bestond en dat zij een medische afzakker was, maar dit werd verworpen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Raad onderschreef de rechtbankuitspraak. De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging had gemaakt over de kans op herstel, mede gebaseerd op lopende behandelingen en eerdere medische beoordelingen.
De Raad concludeerde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht was vastgesteld op 28 december 2017 en dat er onvoldoende medische gronden waren om een duurzame arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een IVA-uitkering bevestigd.