ECLI:NL:CRVB:2022:2661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en toepassing kostendelersnorm
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en woonde met twee dochters, waaronder A die studeerde en studiefinanciering ontving. Na haar 21e verjaardag bleef A ingeschreven bij haar studie, maar zij schreef zich per 9 februari 2018 uit. Appellante meldde deze wijziging niet binnen twee weken aan het college, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde.
Het college herzag de bijstand en vorderde terug over de periode van 9 februari 2018 tot 12 maart 2019, waarbij de terugvordering deels werd gebruteerd vanwege de schending. Appellante voerde aan dat zij wel had voldaan aan haar meldingsplicht via eerdere gesprekken en dat zij niet wist dat zij dit moest melden, maar deze argumenten werden verworpen.
De Raad oordeelde dat de eerdere mededelingen onvoldoende duidelijk waren en dat het college terecht de terugvordering toepaste volgens de kostendelersnorm. Ook de toepassing van de zesmaandenjurisprudentie werd bevestigd, waardoor terugvordering na zes maanden niet mogelijk was. Een beroep op dringende redenen werd niet aannemelijk gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.