ECLI:NL:CRVB:2022:2693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellante was werkzaam als medewerker grondanalyse en meldde zich in 2015 ziek. Het UWV stelde vast dat zij per 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. In 2019 meldde appellante zich opnieuw ziek en vroeg een Ziektewet-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij geschikt bleef voor de eerder geduide functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2018 nog steeds van toepassing was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten waren verergerd en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar diagnose ME/CVS en andere aandoeningen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV de medische situatie zorgvuldig heeft beoordeeld en dat de diagnose ME/CVS en andere klachten reeds waren betrokken bij de beoordeling. De Raad ziet geen aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen, mede omdat appellante geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd die het tegendeel bewijzen. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige wordt afgewezen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewet-uitkering bevestigd.