ECLI:NL:CRVB:2022:2712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor eigen bijdrage Wet langdurige zorg
Appellante is geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en betaalt een eigen bijdrage voor deze zorg. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor deze eigen bijdrage, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit af, stellende dat de Wlz een toereikende en passende voorliggende voorziening is in de zin van artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het college de aanvraag onzorgvuldig had behandeld en dat bijzondere bijstand op grond van een analoge toepassing van de beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 had moeten worden toegekend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat artikel 15 van Pro de PW aan bijstandsverlening in de weg staat wanneer sprake is van een toereikende voorliggende voorziening zoals de Wlz. De eigen bijdrage is een bewuste keuze van de wetgever, bedoeld om cliënten financieel verantwoordelijk te houden en de betaalbaarheid van de Wlz te waarborgen. Appellante kan geen beroep doen op de beleidsregels 2019 omdat op haar aanvraag overgangsrecht van toepassing is en de beleidsregels 2018 geen grondslag bieden voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage.
De Raad bevestigt daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage Wlz wordt bevestigd omdat de Wlz als toereikende voorliggende voorziening geldt.