ECLI:NL:CRVB:2022:2717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping ziekengeldsanctie wegens onvoldoende bewijs onvoldoende re-integratie-inspanningen
Appellante, eigenrisicodrager voor de Ziektewet, kreeg een ziekengeldsanctie opgelegd door het UWV omdat zij volgens het UWV te laat was gestart met re-integratie en onvoldoende onderzoek had verricht naar mogelijkheden in het eerste spoor. De werknemer was sinds september 2016 ziek gemeld en ging in november 2016 ziek uit dienst. Na een eerstejaars beoordeling werd de ZW-uitkering voortgezet.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, stellende dat de bedrijfsarts te laat was gestart met re-integratie en onvoldoende adequaat onderzoek had gedaan. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat de bedrijfsarts zorgvuldig had gehandeld binnen zijn professionele marge en dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat re-integratiekansen waren gemist.
De Raad oordeelde dat het UWV onjuist was uitgegaan van een loonsanctie in plaats van een ziekengeldsanctie, maar dat dit inhoudelijk niet uitmaakte. De Raad vond dat de bedrijfsarts op 2 november 2017 terecht had besloten om aanvullende medische informatie op te vragen voordat het re-integratietraject werd voortgezet, mede gezien het langdurige verzuim en lopende behandeling. Ook was het onderzoek naar functies in het eerste spoor adequaat verricht. Het UWV had onvoldoende bewijs geleverd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het besluit van 13 september 2018 en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De ziekengeldsanctie tegen appellante wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.