ECLI:NL:CRVB:2022:2761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
21/3096 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 derde lid WWArt. 672 Boek 7 BWArt. 94 tot en met 96c Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ingangsdatum WW-uitkering na vaststellingsovereenkomst zonder eerdere schriftelijke overeenstemming

Appellante was in dienst bij een werkgever op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst en heeft op 17 januari 2019 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin het dienstverband per 16 december 2018 werd beëindigd. Het Uwv kende een WW-uitkering toe met ingang van 1 maart 2019, rekening houdend met een opzegtermijn van één maand vanaf de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Appellante maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en stelde dat er al begin december 2018 overeenstemming was bereikt over de beëindiging, maar dat de vaststellingsovereenkomst door omstandigheden pas in januari 2019 werd getekend.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de WW niet was voldaan zonder schriftelijk bewijs van eerdere overeenstemming dan de ondertekening op 17 januari 2019. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat mondelinge verklaringen niet voldoen aan het schriftelijkheidsvereiste. Zonder schriftelijk bewijs van eerdere overeenstemming kan niet worden uitgegaan van een eerdere datum dan de ondertekening.

Het hoger beroep van appellante faalde, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van schriftelijke overeenstemming voor het bepalen van de ingangsdatum van een WW-uitkering bij beëindiging van een dienstverband met wederzijds goedvinden.

Uitkomst: De ingangsdatum van de WW-uitkering blijft 1 maart 2019, na afloop van de opzegtermijn vanaf de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

21 3096 WW

Datum uitspraak: 21 december 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2021, 20/4833 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Rastegar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft tegelijk met de zaak met nummer 21/3700 WW plaatsgevonden op 24 november 2022. In die zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Namens appellante is verschenen mr. Rastegar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was sinds 25 juli 2018 in dienst bij [naam B.V.] (werkgever) op grond van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Appellante en werkgeefster hebben op 17 januari 2019 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin het dienstverband is beëindigd per 16 december 2018. Appellante heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 4 februari 2020 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 maart 2019 een WW-uitkering toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering. Bij beslissing op bezwaar van 28 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen recht op uitkering voor de werknemer bestaat, zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Indien de arbeidsovereenkomst op grond van een schriftelijke beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, moet voor de aanvang van de van toepassing zijnde opzegtermijn uit worden gegaan van de dag van de ondertekening van deze overeenkomst. In dit geval is de vaststellingsovereenkomst op 17 januari 2019 ondertekend. Rekening houdend met een opzegtermijn van één maand en opzegging tegen einde van de maand loopt de opzegtermijn in het geval van appellante tot 1 maart 2019.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vaststellingsovereenkomst niet eerder dan 17 januari 2019 is ondertekend, zodat in ieder geval op die datum is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de WW. Aan het schriftelijkheidsvereiste kan volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 7 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2391) ook worden voldaan indien de vaststellingsovereenkomst door middel van andere correspondentie tot stand komt. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarvan in de zaak van appellante niet is gebleken. Namens appellante is gesteld dat begin december 2018 overeenstemming was bereikt tussen partijen over de beëindiging van het dienstverband per 16 december 2018, maar dat de vaststellingsovereenkomst door de vakantie en het trage handelen van de gemachtigde van de werkgever pas in januari 2019 is opgesteld. Appellante beschikt niet over correspondentie waarmee kan worden onderbouwd dat al eerder dan 17 januari 2019 sprake was van schriftelijke overeenstemming over de beëindiging van het dienstverband. De rechtbank heeft deze schets van de feitelijke gang van zaken aannemelijk geacht, maar dat betekent niet dat op 16 december 2018 al aan het wettelijke schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Omdat 17 januari 2019 moet worden aangenomen als het moment waarop appellante en de werkgever schriftelijk overeenstemming hebben bereikt over het einde van de arbeidsovereenkomst, ving de opzegtermijn, met opzegging tegen het einde van de maand, aan op 1 februari 2019. De opzegtermijn liep daarom tot en met 28 februari 2019.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de ingangsdatum van de WW-uitkering 1 februari 2019 moet zijn. Volgens appellante was al op 16 december 2018 overeenstemming bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Door de feestdagen, vakantieperiode en moeilijke bereikbaarheid van de gemachtigde van de werkgever is de vaststellingsovereenkomst pas op 17 januari 2019 getekend. Appellante heeft daarbij gewezen op de leer van de contractvrijheid en de uitleg van de herroepingstermijn van een vaststellingsovereenkomst.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In artikel 19, derde lid, van de WW is bepaald dat de werknemer geen recht op uitkering heeft zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Onder de rechtens geldende opzegtermijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 96c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever. Als datum waarop de dienstbetrekking wordt geacht te zijn opgezegd, geldt de datum waarop:
a. de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of
b. de werkgever of de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals samengevat weergegeven in overweging 2, worden daarom onderschreven. Ook in hoger beroep heeft appellante geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat al eerder dan op 17 januari 2019 overeenstemming is bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat deze is “overeengekomen en getekend” op 17 januari 2019. Zonder enig schriftelijk bewijs van eerdere overeenstemming bestaat geen aanleiding uit te gaan van een eerdere datum. Met de enkele mondelinge verklaring van de gemachtigde van appellante, dat al in begin december overeenstemming bestond tussen appellante en de werkgever, is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 19, derde lid en onder a, van de WW.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen aanspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en S. Slijkhuis als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2022.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) C.G. van Straalen