ECLI:NL:CRVB:2022:2764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag en boete wegens schending inlichtingenverplichting bij woningdeling
Appellant ontvangt sinds 2008 een WIA-uitkering en vanaf 2016 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV beëindigde in 2019 de toeslag vanwege het huwelijk van appellant en trok toeslagbedragen terug over de periode dat appellant niet had gemeld dat hij samenwoonde met zijn ex-echtgenote en later met zijn dochter en haar kinderen. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het latere besluit ongegrond, omdat de dochter vanaf 3 april 2018 bij appellant woonde en dit niet was gemeld. In hoger beroep stelde appellant dat de woonruimte van zijn dochter zelfstandige woonruimte was, omdat zij de zolderetage bewoonde en gebruik maakte van een aparte schuur, zonder woonruimte en kosten te delen.
De Raad oordeelde dat zelfstandige woonruimte een eigen toegang en eigen woonvoorzieningen moet hebben die niet worden gedeeld. De zolder van appellant had geen eigen toegang en de badkamer en het toilet werden gedeeld, waardoor geen zelfstandige woonruimte aanwezig was. Appellant had de wijziging in woonsituatie niet gemeld, waarmee hij de inlichtingenverplichting schond. Het UWV was daarom verplicht de toeslag terug te vorderen en een boete op te leggen, die evenredig was.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van toeslag en boete worden bevestigd.