Betrokkene was sinds 2007 werkzaam bij een penitentiaire inrichting en werd op 17 oktober 2019 geschorst en later ontslagen wegens het heimelijk achterlaten van een pak koffie in een uitgifteluik bij de uitgangscontrole. Dit was gebaseerd op de verklaring van een beveiligingsmedewerkster die betrokkene nerveus zag handelen en het pak koffie aantrof.
De rechtbank stelde vast dat het onderzoek van de minister onvoldoende zorgvuldig was en dat de verklaring van de medewerkster niet voldoende bewijs leverde. Er was geen aanvullend onderzoek gedaan naar omstandigheden zoals stank in de wachtruimte of de toestand van betrokkene, en ook werd geen Bureau Integriteit ingeschakeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op basis van de beschikbare gegevens geen overtuiging bestaat dat betrokkene de gedraging heeft begaan. De verklaring van de medewerkster is gebaseerd op vermoedens en niet op directe waarnemingen, en andere verklaringen sluiten niet uit dat het pak koffie eerder in het uitgifteluik lag. Het hoger beroep van de minister wordt afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.