ECLI:NL:CRVB:2022:2799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit uitbetaling wettelijke en bovenwettelijke verlofuren na ontslag wegens ziekte
Appellant, werkzaam bij de politie, kreeg eervol ontslag wegens arbeidsongeschiktheid door ziekte per 1 juli 2019. Bij ontslag had hij bijna 393 niet opgenomen verlofuren. De korpschef betaalde deze uren uit, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke verlofuren. Over de wettelijke uren werd een opslag betaald, over de bovenwettelijke niet. Appellant maakte bezwaar tegen het niet betalen van opslag over de bovenwettelijke uren, maar dit werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat de Europese Richtlijn 2003/88/EG vereist dat werknemers jaarlijks minimaal vier weken vakantie met behoud van loon krijgen, en dat tijdens deze minimumperiode het normale loon inclusief opslag moet worden doorbetaald. Voor bovenwettelijke vakantie-uren geldt deze verplichting niet en mogen deze volgens nationaal recht zonder opslag worden vergoed.
De Raad verwierp het betoog van appellant dat alle verlofuren inclusief opslag moeten worden uitbetaald. De nationale regeling in artikel 26, eerste lid, van het Barp, die onderscheid maakt tussen wettelijke en bovenwettelijke uren, is in overeenstemming met de Richtlijn. De uitspraak bevestigt dat de opslag alleen verschuldigd is over de wettelijke minimumvakantieperiode en niet over bovenwettelijke uren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat alleen over de wettelijke verlofuren een opslag moet worden betaald en wijst het hoger beroep af.