ECLI:NL:CRVB:2022:2824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- F.H. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Belanghebbende bij loonwaardevaststelling in beschut werk volgens Participatiewet
Appellant werkt sinds 2017 in beschut werk en ontvangt loonkostensubsidie op basis van een vastgestelde loonwaarde. Het college stelde in 2018 de loonwaarde vast op 48% van het minimumloon, wat leidde tot minder subsidie voor de werkgever. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belanghebbende zou zijn.
In hoger beroep betoogde appellant wel belanghebbende te zijn, omdat loonwaardevaststelling zijn arbeidspositie en ontwikkeling weerspiegelt. De Raad oordeelt dat appellant inderdaad belanghebbende is, omdat de loonwaarde invloed heeft op de toegang tot en het behoud van de arbeidsrelatie, ook als het inkomen niet verandert.
Echter erkende appellant tijdens de procedure dat een hernieuwd onderzoek naar de loonwaarde uit 2018 niet meer mogelijk is en dat hij geen feitelijk belang meer heeft bij het beroep. Hierdoor is het procesbelang komen te vervallen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zij het op andere gronden, en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het procesbelang is komen te vervallen, hoewel hij wel belanghebbende is bij de loonwaardevaststelling.