ECLI:NL:CRVB:2022:2825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffing buitenlandbijdrage op Nederlands pensioen van verdragsgerechtigde in België
Appellant, geboren in 1934, woonde sinds 1994 in België en ontving vanaf 1999 een AOW-pensioen uit Nederland. Tijdens zijn verblijf in België werd hij als verdragsgerechtigde aangemerkt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Verordening (EG) nr. 883/2004, wat inhield dat hij recht had op zorg in België ten laste van Nederland. Hiervoor werd een buitenlandbijdrage ingehouden op zijn pensioen.
Appellant maakte bezwaar tegen meerdere jaarafrekeningen van het CAK over de jaren 2015 tot en met 2018, waarin de buitenlandbijdrage werd vastgesteld. Deze bezwaren werden ongegrond verklaard door het CAK en de rechtbank Den Haag. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij ten onrechte als verdragsgerechtigde werd aangemerkt, omdat hij niet als arbeidsmigrant naar België was verhuisd en daar niet had gewerkt. Tevens stelde hij dat de heffing een ontoelaatbare inbreuk op zijn verblijfsrecht in België vormde.
De Raad verwierp deze argumenten en verwees naar eerdere uitspraken waarin de toepasselijkheid van Verordening 883/2004 op vergelijkbare situaties was bevestigd. De personele werkingssfeer van de verordening is uitgebreid naar alle EU-onderdanen op wie socialezekerheidswetgeving van een lidstaat van toepassing is of is geweest, wat voor appellant geldt vanwege zijn AOW-pensioen uit Nederland.
De Raad concludeerde dat het CAK terecht de buitenlandbijdrage heeft geheven en bevestigde de aangevallen uitspraken. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het CAK terecht een buitenlandbijdrage heeft geheven op het Nederlands pensioen van appellant als verdragsgerechtigde.