ECLI:NL:CRVB:2022:2846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet vervulde wachttijd
Appellante, werkzaam als cateringmedewerker, meldde zich op 24 april 2017 ziek met rug- en psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij vanaf 21 maart 2019 meer dan 65% van haar loon kon verdienen en beëindigde de ZW-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen de weigering van een WIA-uitkering per 22 april 2019 wegens het niet vervullen van de wachttijd van 104 weken. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) correct was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten. Zij verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de FML adequaat was aangepast en dat er geen aanleiding was voor het inschakelen van een deskundige. De Raad bevestigde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor voortzetting van de ZW-uitkering en voor toekenning van een WIA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante wordt beëindigd en de WIA-uitkering wordt geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet vervulde wachttijd.