Betrokkene ontving sinds 2007 een WIA-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het Uwv een onderzoek naar werkzaamheden in een tabakswinkel. Uit het onderzoek bleek dat betrokkene vanaf april 2018 tot en met december 2018 werkzaamheden verrichtte, waaronder voorraad bijvullen en klanten helpen. Het Uwv herzag de uitkering en vorderde onverschuldigde bedragen terug, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde de herziening voor de periode tot 29 augustus 2018 wegens onvoldoende bewijs, maar bevestigde de herziening en terugvordering vanaf die datum. Voor de periode januari tot maart 2019 oordeelde de rechtbank dat onvoldoende bewijs was voor werkzaamheden en vernietigde het besluit tot herziening.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de rechtbankuitspraak. De Raad oordeelde dat de verklaring van betrokkene over werkzaamheden vóór 29 augustus 2018 onvoldoende was onderbouwd. Voor de periode vanaf 29 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 was sprake van op geld waardeerbare activiteiten, waarvoor het Uwv een schatting mocht maken van 30 uur per week tegen het minimumloon. Voor 2019 was geen concreet bewijs van werkzaamheden. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.