ECLI:NL:CRVB:2022:316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekeningswijze buitenlandbijdrage zorgverzekering voor 2017
Appellante, woonachtig in Frankrijk en met recht op zorg in haar woonland op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004, was het niet eens met de door het CAK vastgestelde buitenlandbijdrage voor 2017. De bijdrage was berekend op basis van een nominaal deel, een inkomensafhankelijk Zvw-deel en een inkomensafhankelijk Wlz-deel, waarbij heffingskortingen alleen op het Wlz-deel waren toegepast.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de berekeningswijze dwingend is voorgeschreven in de Zvw en de Regeling zorgverzekering en dat de rechtbank niet bevoegd is om af te wijken van deze systematiek, ook niet om redenen van rechtvaardigheid.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaar tegen de toepassing van heffingskortingen en de woonlandfactor, stellende dat de volledige grondslag verminderd had moeten worden met de heffingskortingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wettelijke bepalingen duidelijk voorschrijven dat heffingskortingen alleen op het Wlz-deel van toepassing zijn en dat het CAK de systematiek correct heeft toegepast.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De berekening van de buitenlandbijdrage door het CAK wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.