Uitspraak
21 maart 2014, 12/759 en 13/4090 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
NiNbi-inkomen nu in dit begrip besloten ligt dat het om niet belastbaar inkomen gaat. Door niettemin een buitenlandbijdrage op te leggen wordt belasting geheven over een inkomen waarvan de belastinginspecteur blijkens de NiNbi-beschikking heeft uitgemaakt dat daarover geen belasting verschuldigd is. Het Zorginstituut mag niet van deze beschikking afwijken. Voorts heeft te gelden dat de Sociale verzekeringsbank de buitenlandbijdrage reeds heeft ingehouden op zijn pensioen. Dan kan niet nadien nog weer opnieuw een buitenlandbijdrage verschuldigd zijn. De ontwikkeling van de hoogte van de buitenlandbijdrage in de jaren 2006 tot 2013 wijkt ten onrechte af van de index van de ontwikkeling van de zorgkosten in die jaren, zoals appellant die heeft uiteengezet bij de rechtbank. Appellant heeft zich ten slotte beklaagd over de bejegening die hem ten deel is gevallen bij de rechtbank.
AWBZ-bijdrage.
(CRvB 26 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362). Nederland is op grond van artikel 30 van Pro Vo 883/2004 (voorheen artikel 33 Vo Pro. 1408/71) bevoegd om een buitenlandbijdrage te heffen. Deze bijdrage moet, mede gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2000 in de zaken C-34/98 en C-169/98 (Commissie-Frankrijk) worden gekwalificeerd als een sociale bijdrage bestemd voor de financiering van (een deel van) het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. De opbrengsten ervan worden toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds, waaruit Nederland de kosten in verband met de Zvw op grond van internationale verdragen betaalt. Hieruit volgt dat de buitenlandbijdrage niet kan worden aangemerkt als een belasting, maar als een wettelijk geregelde sociale bijdrage voor de kosten van een deel van het Nederlandse sociale zorgstelsel.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 januari 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt het Zorginstituut op binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de besluiten van 8 en 22 maart 2010 te nemen en bepaalt dat beroep tegen deze nieuwe beslissing slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- bepaalt dat het Zorginstituut aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 164,- vergoedt.