Betrokkene, woonachtig in Frankrijk sinds 1990 en pensioengerechtigde, werd geconfronteerd met buitenlandbijdragen over de jaren 2006 tot en met 2009 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Verordening EEG nr. 1408/71. Hij stelde dat de bijdrage onrechtmatig was vanwege internationale verdragsregels, de hoogte van de woonlandfactor, en de wijze van berekening van het inkomen. Tevens voerde hij aan dat de bijdrage te laat was vastgesteld.
De rechtbank had het beroep over 2006 gegrond verklaard vanwege een onjuiste grondslag bij de berekening, maar het beroep over latere jaren afgewezen. Zowel betrokkene als het Zorginstituut gingen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het heffen van de buitenlandbijdrage niet in strijd is met het EVRM of andere internationale bepalingen en dat het hanteren van de woonlandfactor geen disproportionele last oplevert.
Verder stelde de Raad vast dat de berekeningssystematiek van de buitenlandbijdrage dwingend is voorgeschreven in de Zvw en de Regeling zorgverzekering, waarbij het belastbare loon en uitkeringen leidend zijn en niet het wereldinkomen zoals betrokkene betoogde. De overschrijding van de termijn voor vaststelling leidt niet tot het vervallen van de bevoegdheid tot vaststelling. Het hoger beroep van het Zorginstituut werd gegrond verklaard en het beroep van betrokkene afgewezen, waarmee de rechtbankuitspraak over 2006 werd vernietigd en het beroep tegen het besluit ongegrond werd verklaard.