Appellant ontvangt sinds juni 2016 bijstand en werd geconfronteerd met een hennepkwekerij in zijn woning die door de politie op 8 februari 2018 werd aangetroffen. Het college trok de bijstand over de periode van 15 november 2017 tot en met 8 februari 2018 in, vorderde de kosten terug en legde een boete op wegens het schenden van de inlichtingenverplichting door het niet melden van de hennepkwekerij.
Appellant voerde aan dat hij niet betrokken was bij de hennepkwekerij, dat deze zonder zijn medeweten was opgezet en dat hij vanwege bedreiging door een derde geen melding durfde te maken. De Raad oordeelde echter dat het feit van de hennepkwekerij in zijn woning de redelijke veronderstelling wekte dat appellant als exploitant optrad en dat hij uit eigen beweging melding had moeten maken. Zijn verklaringen waren onvoldoende onderbouwd en deels onjuist, waardoor zijn verweer faalde.
De Raad stelde vast dat de inlichtingenverplichting een geobjectiveerde verplichting is waarbij verwijtbaarheid niet relevant is. Ook het beroep op verminderde verwijtbaarheid wegens bedreiging werd verworpen, mede omdat appellant wel aangifte bij de politie had gedaan. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.