ECLI:NL:CRVB:2017:3310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- E.C.R. Schut
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en boete wegens exploitatie hennepkwekerij in woning
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres waar op 12 februari 2014 een hennepkwekerij met 566 planten werd aangetroffen. Het college trok de bijstand over de periode van 2 oktober 2013 tot en met 12 februari 2014 in en vorderde de kosten terug, omdat appellant de exploitatie van de kwekerij verzweeg. Tevens legde het college een boete op van bijna €3.900.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar matigde de boete naar €2.500 vanwege de financiële situatie van appellant. In hoger beroep betwistte appellant dat hij de kwekerij exploiteerde en stelde hij dat hij de woning had onderverhuurd zonder kennis van de kwekerij.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant exploitant was, mede op basis van het niet-ontzenuwde vermoeden dat degene in wiens woning een kwekerij wordt aangetroffen, de exploitant is. Appellant slaagde er niet in dit vermoeden te weerleggen. De Raad vernietigde het boetebesluit echter omdat het college onvoldoende had aangetoond dat sprake was van opzet, waardoor de boete moest worden vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, rekening houdend met de draagkracht van appellant. De boete werd vastgesteld op €1.183,82. De overige besluiten werden bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd, de boete wordt vastgesteld op €1.183,82.