ECLI:NL:CRVB:2022:347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping WIA-besluit en vergoeding kosten bezwaar wegens gewijzigde arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2013 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 100%. Na herbeoordelingen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid in 2016 en later opnieuw vast, waarbij het percentage varieerde tussen 29,30% en 40,84%. In oktober 2018 beëindigde het UWV de loongerelateerde WGA-uitkering en kende een vervolguitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid tussen 35% en 45%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist had vastgesteld, mede vanwege een verklaring van haar fysiotherapeut die meer beperkingen zou aangeven. Ook stelde zij dat het UWV het bezwaar had moeten honoreren en de kosten daarvan had moeten vergoeden vanwege een gewijzigde verdiencapaciteit. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de verklaring van de fysiotherapeut geen aanleiding gaf tot aanpassing van de beperkingen. Wel stelde de Raad vast dat de gewijzigde verdiencapaciteit in de bezwaarfase een wijziging van de rechtspositie betekende, waardoor het primaire besluit herroepen moest worden.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV, verklaarde het beroep gegrond, herroept het besluit van oktober 2018 en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, het primaire besluit wordt herroepen en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten.