ECLI:NL:CRVB:2022:364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na herbeoordeling beperkingen en functies
Appellante was werkzaam als digitaliseerder en meldde zich ziek met klachten aan linkerarm en -hand. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en beëindigde haar Ziektewetuitkering per 2 september 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde lichte beperkingen vast bij het gebruik van toetsenbord en muis, wat leidde tot selectie van nieuwe functies door arbeidsdeskundigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de nieuwe functies passend waren. Wel werd een motiveringsgebrek gepasseerd omdat het UWV in bezwaar de juiste functies aan de beoordeling had gelegd.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had gemotiveerd en dat de arbeidsdeskundigen terecht waren uitgegaan van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem. Appellante kon onvoldoende onderbouwen dat de functiebeschrijvingen onjuist waren.
De Raad oordeelde echter dat het UWV ten onrechte geen nieuwe aanzegtermijn in acht had genomen bij de nieuwe functieduiding in bezwaar, waardoor de Ziektewetuitkering niet eerder dan 21 januari 2019 had mogen eindigen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en bepaalde de nieuwe beëindigingsdatum. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante wordt beëindigd per 21 januari 2019 vanwege het niet naleven van de aanzegtermijn bij nieuwe functieduiding.