ECLI:NL:CRVB:2022:404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten omgangsregeling en inrichtingskosten
Appellant, een WAO-uitkeringsgerechtigde vader met een omgangsregeling voor zijn minderjarige kind, verzocht bijzondere bijstand voor reiskosten die hij maakt in verband met de omgangsregeling en voor (her)inrichtingskosten van zijn woning. Het college wees deze aanvragen af omdat de reiskosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden en de inrichtingskosten niet aannemelijk waren gemaakt.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat reiskosten in het kader van een omgangsregeling tot de algemeen noodzakelijke kosten behoren en uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Appellant maakte onvoldoende aannemelijk dat hij deze kosten niet kon betalen of dat de kosten hoger waren dan normaal.
Ook de gevraagde bijzondere bijstand voor (her)inrichtingskosten werd afgewezen omdat appellant niet had gespecificeerd welke kosten hij had en geen bewijsstukken had overgelegd. Daarnaast hoefde het college niet de draagkracht van de ex-partner te onderzoeken, omdat de kosten voor de niet-verzorgende ouder zijn.
De Raad verwierp ook het beroep dat het niet toekennen van bijzondere bijstand een schending van het recht op gezinsleven zou zijn, omdat het EVRM niet verplicht tot financiële ondersteuning voor de uitoefening van dat recht. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de hoger beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor reiskosten en inrichtingskosten.