Uitspraak
19 4773 PW, 19/4775 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
€ 1.190,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden. Vaststaat dat de boete volledig is afgelost.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht nadat vermoedens ontstonden dat hij werkzaamheden verrichtte voor een bouwbedrijf. Uit verklaringen van appellant, een vriendin en bewoners van adressen waar werkzaamheden plaatsvonden, bleek dat appellant regelmatig aanwezig was op werkplekken en diverse hand- en spandiensten verrichtte.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, omdat appellant niet had gemeld dat hij op geld waardeerbare arbeid verrichtte. Tevens legde het college een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant werkzaamheden verrichtte en dat appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad bevestigt dat het niet melden van deze werkzaamheden een schending van de inlichtingenverplichting is, rechtvaardigt de intrekking en terugvordering van bijstand en de boete. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de boete worden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.