De zaak betreft een hoger beroep tegen de weigering van een Wajong-uitkering door het UWV. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het UWV onvoldoende had onderzocht of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam was. Het UWV heeft daarop aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht, waarin werd geconcludeerd dat sprake is van een stabiel ziektebeeld met behandelmogelijkheden, en geen progressief ziektebeeld.
Appellante voerde aan dat haar ziektebeeld progressief is en dat er geen behandelmogelijkheden zijn, maar de Raad volgde het standpunt van de verzekeringsarts. Medische gegevens toonden aan dat de klachten stabiel zijn en dat behandelingen, zoals het stoppen met medicatie onder begeleiding, weliswaar een lage winstverwachting hebben, maar niet uitgesloten zijn. Het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen werd daarom niet vastgesteld.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van 1 maart 2019, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.