ECLI:NL:CRVB:2022:508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens verblijf buitenland
Appellant vroeg op 12 april 2018 een WW-uitkering aan en verklaarde een Nederlands postadres te hebben. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 27 april 2018. Tijdens een themaonderzoek bleek dat appellant niet op het opgegeven adres woonde en dat hij sinds de eerste WW-dag geen transacties in Nederland verrichtte, terwijl het grootste deel van de uitkering naar een Poolse bankrekening werd overgemaakt.
Het UWV stelde vast dat appellant in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie en trok de uitkering per 27 april 2018 in. Tevens werd de onverschuldigd betaalde uitkering van ruim €10.000 teruggevorderd en een boete van 50% van het benadelingsbedrag opgelegd wegens het niet melden van het verblijf in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in Nederland verbleef bij een vriend en dat de boete onterecht was, maar leverde geen objectief bewijs. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de intrekking, terugvordering en boete. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete van het UWV worden bevestigd.