ECLI:NL:CRVB:2022:575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en weigering IVA-uitkering
Appellant, voormalig CNC frezer, meldde zich ziek in 2006 na een bedrijfsongeval en kreeg vanaf 2008 een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Na herbeoordeling door een verzekeringsarts en psychiater werd geconcludeerd dat appellant geen ernstige psychiatrische stoornis meer had, maar borderline persoonlijkheidstrekken en lichte fysieke klachten. Het UWV beëindigde de WIA-uitkering in 2014 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
Appellant stelde dat zijn psychische klachten waren onderschat en dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, met recht op een IVA-uitkering. Diverse deskundigen, waaronder verzekeringsartsen en psychiaters, werden benoemd en brachten rapporten uit waarin werd geconcludeerd dat er weliswaar sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid, maar dat er binnen een jaar een redelijke kans op verbetering bestond door passende behandelingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid moet worden beoordeeld op de datum in geding, 7 juni 2014, en dat verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten. De Raad volgde daarmee het oordeel van de rechtbank dat appellant geen recht had op een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De IVA-uitkering werd terecht geweigerd omdat de volledige arbeidsongeschiktheid op 7 juni 2014 niet duurzaam was.