Appellante stelde dat zij al op 12 december 2018 met werkzaamheden was begonnen, waardoor de proeftijd eerder zou zijn gestart dan de formele ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst op 2 januari 2019. Zij vorderde loon en een uitkering van het UWV over een langere periode dan toegekend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsovereenkomst feitelijk eerder was aangevangen. De werkzaamheden in december 2018 waren voorbereidende activiteiten op eigen initiatief vanuit haar woonplaats in Italië, zonder opdracht of gezag van de werkgever. De betaling in januari 2019 betrof salaris en een bonus voor werkzaamheden vanaf 1 januari 2019.
Omdat het ontslag van 31 januari 2019 binnen de proeftijd is gegeven en appellante dit ontslag niet heeft aangevochten bij de civiele rechter, is het ontslag onherroepelijk geworden. Hierdoor bestond geen loonvordering meer na die datum en was het besluit van het UWV om alleen vakantiedagen uit te keren terecht.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd. Er is geen grond voor een schadevergoeding en het verzoek daartoe wordt afgewezen.