ECLI:NL:CRVB:2022:753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering niet in strijd met ILO-conventie 121
Betrokkene meldde zich ziek op 20 juni 2016 na een bedrijfsongeval en ontving een Ziektewetuitkering tot 20 juli 2017, toen deze werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen in andere functies. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist waren en dat het Nederlandse systeem voldoet aan de normen van ILO-conventie 121.
In hoger beroep stelde betrokkene dat zijn beperkingen onderschat waren en dat de EZW-beoordeling in strijd was met de conventie, met name vanwege de grens van 35% verlies aan verdiencapaciteit. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslag standhouden, dat artikel 6, lid b, van ILO-conventie 121 van toepassing is en dat de Nederlandse wetgeving niet in strijd is met de verdragsbepalingen.
Verder werd geoordeeld dat de rechtstreekse werking van de relevante verdragsbepalingen geldt, maar dat de nationale wetgever beleidsvrijheid heeft bij de invulling van ongeschiktheid tot werken. De Raad wees het beroep van betrokkene af en verklaarde het hoger beroep van het UWV gegrond. Tevens werd een schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, en de Staat veroordeeld in proceskosten.
Uitkomst: Beëindiging van de Ziektewetuitkering per 20 juli 2017 is rechtmatig en niet in strijd met ILO-conventie 121; schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.