ECLI:NL:CRVB:2022:819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellant had drie tijdelijke dienstverbanden als webdesigner bij dezelfde werkgever, waarvan het laatste eindigde op 28 april 2019. Hij vroeg bijstand aan per 23 juli 2019. Het college verlaagde de bijstand met 100% voor twee maanden omdat appellant zijn arbeid niet had behouden en daardoor een beroep op bijstand moest doen.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat de maatregel onterecht was omdat hij geen vast dienstverband wilde en de werkgever geen aanbod deed. Ook voerde hij aan dat de verplichtingen volgens de Participatiewet pas vanaf de melding gelden, niet daarvoor.
De Raad oordeelde dat de verplichting om te voorkomen dat een beroep op bijstand nodig is al vóór de melding geldt en dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. De maatregel was daarom terecht opgelegd. De rechtbank had dit oordeel bevestigd en de Raad bevestigt nu deze uitspraak.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand gehandhaafd. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende twee maanden wordt bevestigd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.