ECLI:NL:CRVB:2022:826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toeslagaanvraag na loonsanctieperiode wegens ontbreken loondervingsuitkering
Appellant werkte parttime en viel in 2013 wegens ziekte uit. Tijdens het eerste ziektejaar werd zijn loon volledig doorbetaald, maar vanaf november 2014 werd een loonkorting van 30% toegepast, waarna een toeslag werd toegekend. Na een loonsanctieperiode werd een WIA-uitkering geweigerd omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn werkzaamheden.
Appellant vroeg in september 2017 opnieuw een toeslag aan, die door het UWV werd afgewezen omdat zijn inkomen boven het sociaal minimum lag. De rechtbank vernietigde deze afwijzing vanwege onduidelijkheid over de loonbetaling, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat de toeslag opnieuw weigerde omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de Toeslagenwet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant na de loonsanctieperiode geen recht had op een loondervingsuitkering en dat het vertrouwen dat appellant stelde op het voortzetten van de toeslag niet gerechtvaardigd was. De Raad bevestigde daarmee de afwijzing van de toeslagaanvraag en wees het beroep af.
Uitkomst: De toeslagaanvraag van appellant wordt afgewezen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor een loondervingsuitkering na afloop van de loonsanctieperiode.